Noordelijk
Bach
Consort

Programmatoelichting

In 2026 bestaat het Noordelijk Bach Consort 30 jaar! Dat vieren we met een feestelijk concertprogramma. We eren  Johann Sebastiaan Bach, de ‘vader’ van de barokmuziek - en eigenlijk ook van ons koor en orkest - door het uitvoeren van zijn Paasoratorium BWV 249 en zijn paascantate BWV 66.

Als tegenhanger van de overbekende Matthaüs-Passion en Johannes-Passion die de kruisiging van Jezus verklanken, laat het Noordelijk Bach Consort het publiek dit voorjaar kennismaken met Bachs onbekende  muziek voor eerste en tweede Paasdag. Opgewekte muziek waarmee de overwinning op de dood wordt gevierd.

 

Paasoratorium Kommt eilet und laufet, ihr  flüchtigen Füße – BWV 249

Jezus is opgestaan uit de dood, dat is wat op eerste Paasdag wordt gevierd. Het eerste deel van het oratorium bestaat dan ook uit vrolijke, triomfantelijke orkestmuziek, een Sinfonia waarbij trompetten en een pauk het NBC orkest versterken. Er lijkt wel een wedloop te ontstaan tussen de groepen koperblazers, houtblazers en strijkers. Aan het derde deel heeft het stuk de titel ontleend: Jezus’ volgelingen, Petrus, Johannes, Maria Magdalena en Maria de moeder van Jacobus haasten zich naar het graf. Bach heeft hierbij veel toonladders gebruikt, je hoort ze rennen! Vervolgens ontvouwt zich het verhaal van de opstanding, dat geweven is door de hele compositie, en vertolkt wordt door de vier solisten. Alle gevoelens die Jezus’ overwinning op de dood oproept komen aan bod. Ontroerend is bijvoorbeeld aria 7, waarbij Petrus zingt dat de dood voor hem voortaan een slaap zal zijn. Het koor zingt in het eerste deel en in het laatste deel, waarbij het laatste deel dezelfde feestelijke sfeer en maatsoort heeft als het eerste deel.

Bach schreef de muziek in 1725, aanvankelijk als gelukwenscantate voor de 44ste verjaardag van Hertog Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach en zijn tijdgenoten gebruikten hun eigen muziek vaak opnieuw voor nieuwe opdrachten, de muziek werd dan een parodie genoemd.  Vijf weken na het verjaardagsfeest kon Bach de feestelijke muziek goed gebruiken voor zijn Paasoratorium. De nieuwe tekst werd geschreven door Christian Friedrich Henrici, pseudoniem voor Picander, met wie Bach graag samenwerkte.

 

Cantate Erfreut euch, ihr Herzen, BWV 66

Een jaar eerder, tweede paasdag 1724, werd deze cantate uitgevoerd, in de Nicolaikirche in Leipzig. Bach had de vastentijd waarschijnlijk hard nodig gehad om de partituur voor de eerste uitvoering van de Johannes-Passion (Goede Vrijdag, 7 april 1724) te voltooien. Daarom greep hij voor de paasdagen in Leipzig terug op cantates uit zijn tijd in Weimar en Köthen. Ook deze paascantate is een bewerking van een verjaardagscantate, en wel voor de 24ste verjaardag van Bachs beschermheer en vriend Prins Leopold von Anhalt-Köthen.

De uitbundige koorfantasie waarmee het stuk begint is een van de langste koren die Bach ooit schreef, namelijk ongeveer tien minuten. Bovendien is het deel voor de instrumentalisten technisch pittig: in een vlot tempo moeten er voortdurend zeer snelle noten  (tweeëndertigsten) worden gespeeld. Het illustreert het hoge niveau van de instrumentalisten over wie Bach in de hofkapel van Köthen kon beschikken. In deel 4 en 5 gaan Hoop en Vrees met elkaar in gesprek, met onder andere een virtuoos duet tussen alt- en tenorsolist. Dit verwijst naar de evangelielezing voor tweede Paasdag: hoop en vrees over de beloofde wederopstanding verscheurt twee volgelingen van Jezus, de Emmaüsgangers. De cantate besluit met een koraal gebaseerd op het middeleeuwse paaslied Christ ist erstanden.

                                                                               Bron: oa Eduard van Hengel